18 jaar waren we, m’n maat Thomas en ik, en in de zomervakantie hadden we een week niets te doen. Ons budget was zo goed als onbestaande en pintjes en sigaretten waren duur. In België toch. Het plan was snel gemaakt: de volgende ochtend stonden we aan de oprit van de Antwerpse Ring te liften richting Duitsland. Ons doel? In Tsjechië goedkope sigaretten kopen. We sliepen in het huis van anarchisten, werden bestolen, reden mee met een paardentram en kwamen de liefste mensen tegen. On The Road à la Kerouac, maar dan in Duitsland.

Zondag

We hadden een jeugdbewegingsuniform aangetrokken, een kleine vorm van fraude die ons hopelijk gemakkelijker een lift zou opleveren. In onze rugzak staken wat kleren, een wegenatlas (smartphones bestonden nog niet), een kookvuurtje, bestek, een gamel, wasgerief en een tent. Meer heeft een mens niet nodig op een road trip. Een digitale camera en gsm’s hadden we ook, maar die zouden het einde van de reis niet halen.

Liften, voor zij die het nog nooit gedaan hebben, is een emotionele rollercoaster: wanhoop als je al twee uur staat te bibberen in de kou en pure blijdschap wanneer een wagen stopt, wisselen elkaar af. Wanneer je lift, kom je enkel sympathieke mensen tegen; de eikels rijden door, dus daar heb je geen last van. Maar de helden die je oppikken, hebben altijd verhalen te vertellen. De helden die je bij schemer een lift aanbieden, zijn de mensen die je zullen helpen een slaapplaats te vinden. Zo ook een sympathiek Duits koppel, maar ik loop op de zaken vooruit.

Onze eerste lift was een paardenkoets. De koetsier bracht ons naar een betere oprit, waar we opgepikt werden door een jonge moeder die ons vervoerde tot Geel. We haalden onze gamel boven en kookten in het gras voor een bedrijventerrein ravioli uit blik. Een portie blikvoeding smaakt episch wanneer je ze tijdens een groot avontuur opwarmt. We waren 18 jaar en we hadden ons nog nooit zo groot en sterk gevoeld.

Een volgende lift bracht ons naar Luik, waar we werden opgepikt door een mollig Duits koppel, die, terwijl ze een ijsje aan het oppeuzelen waren, hun ouderlijk gevoel lieten spreken. We mochten onze tent opstellen in hun tuin in Prüm, en we ontmoetten de zoon des huizes: Speckie.

Speckie’s bijnaam hadden zijn vrienden hem gegeven. Hij had de genen van zijn ouders geërfd: de arme jongen was niet begenadigd met een smalle lichaamsomvang. Samen met zijn vrienden verzamelden we onder een grote luifel en dronken we pintjes, vervolgens trokken we naar het lokale café. Onverwachte avonden en onbekende bestemmingen: liften is heerlijk onvoorstelbaar.

Maandag

Liggend op onze rugzak in de laadruimte van een pick-up truck genoten we van de vrijheid en de zon. In Gerolstein pikte een zakenman met een jaguar ons op. We reden half Duitsland door, reden een stuk met een lege reisbus mee en belandden in Nürnberg.

Het regende. Het was koud. We stonden op een slechte plek. Al twee en een half uur hielden we onze duim omhoog. Onze moraal was laag. De troosteloze wolkenkrabbers begonnen licht te geven terwijl de duisternis neerdaalde. De honger verdreven we met een hamburger van McDonald’s, een haute-cuisine campingaz-maaltijd langs de weg zat er niet in met dit weer.

Ik ben zijn naam vergeten, maar laat ik hem Fritz noemen. Fritz was een jonge hippe kerel. Hij had medelijden met ons en pikte ons op. “Waar slapen jullie vannacht?”, vroeg hij. We roken onze kans: “Euh, daar hebben we nog niet over nagedacht. We zullen onze tent maar opzetten in de regen.” Fritz antwoordde: “Wacht, ik bel even naar mijn ouders.” Een uurtje later hadden we een hele kelderstudio ter onzer beschikking. In tijden van wanhoop zijn de sympathieke mensen er altijd om de stakkers te helpen.

Dinsdag

We waren overmoedig. Een weekje tijd om helemaal naar Tsjechië en terug te liften is te weinig. We beseften dit op ongeveer 70km van de Tsjechische grens. Vrijdagavond moesten we in België zijn: geplande activiteiten kregen jammer genoeg voorrang en we gingen terug op weg naar de heimat.

Vanop de autosnelweg staarden we naar de vreemde Oostblok-wolkenkrabbers. Het prachtige groene Duitsland werd af en toe onderbroken door communistische industrie. De muur was al 16 jaar gevallen, maar de invloed van jaren armoede en communisme vallen niet gemakkelijk uit te wissen uit het landschap. Later werd het ons duidelijk dat naast het landschap ook de mensen het verleden nog steeds meedroegen.

Erfurt, Oost-Duitsland. We kookten spaghetti op de parking van de Aldi waar we onze ingrediënten gekocht hadden. Op een bankje aan de bushalte dronken we onze goedkope sangria. Het troosteloze stadje had niet veel te bieden, maar we voelden ons nog steeds vrij en gelukkig.

De plaatselijke jeugd in Erfurt was opgedeeld in twee groepen: de neo-nazis en de linkse anarchisten. Ik ben nu eenmaal geen fan van nazi’s, dus toen de anarchistische jongeren ons vroegen of we bij hen kwamen zitten aan de bushalte (hun verzamelplaats), twijfelden we niet lang. Het was gezellig, sympathieke gasten en grieten, met blikjes bier die werden uitgedeeld. We praatten over het heden, het verleden, het verschil tussen Duitsland en België, het Oosten en het Westen. Het was een divers groepje en eigenlijk hadden we toen al kunnen weten dat ze niet allemaal te vertrouwen waren, maar naïviteit los je nu eenmaal enkel op door dingen mee te maken.

De avond werd laat en we wilden onze tent opzetten in het park. De groep ging niet akkoord en we werden meegenomen naar het appartement van één van de punkers. Met belachelijk veel mensen overnachtten we op het kleine appartementje, een toonbeeld van DDR-mistroostigheid.

Woensdag – Ochtend

“Guten Morgen, wie kan ich Ihnen helfen?”

Het politiebureau deed me denken aan een gebouw van de Stasi, maar de stem aan de andere kant van de parlofoon was verrassend vriendelijk.

“Wir sind Touristen, alles ist gestohlen.”

De zoemer zoemde en we werden binnen gelaten. De oudere agenten spraken geen Engels,  ze hadden op school in de DDR enkel Duits en Russisch geleerd. Mijn Duits was niet bepaald perfect. We kregen de instructie te wachten op een tolk. Thomas vloekte nog eens, en ik haalde m’n schouders op.

We werden apart verhoord. Ik vertelde rustig mijn verhaal. Over hoe we door Duitsland liftten op zoek naar goedkope sigaretten, over hoe we de avond ervoor wat pintjes hadden gedronken met de lokale jeugd, over hoe we bij een van die gasten slaapplaats vonden. Ik vertelde dat er nog heel veel volk op dat appartement was. Dat we ‘s morgens wakker werden zonder camera, zonder gsm’s, zonder geld in onze portefeuille. Onze pas en bankkaart hadden ze gelukkig laten steken.

“Waren er drugs aanwezig?” – “Ik heb er alleszins geen gebruikt”

“Waarom ga je bij wildvreemden slapen?” – “We zijn jong en blut en het leken wel toffe mensen. Wir haben nicht gewusst dat dat zulke mensen waren”

“Wat was het adres?” – Ik gaf hem het papiertje waarop we het adres hadden neergeschreven.

“Kerel. Dat zijn geen doetjes. We hebben op dat adres al heel wat illegale dingen gevonden.”

Ik vond het op een vreemde manier wel amusant om zo’n avontuur te beleven; ik waande me een filmster, maar Thomas kon er niet om lachen. Het was zijn fototoestel dat was gepikt en hij wou naar huis, maar het liften lukte niet. Om de een of andere vreemde reden vertrouwden de locals geen jongeren. Twee uur stonden we aan de kant van de snelwegoprit en ook mijn humeur was ondertussen naar een dieptepunt gezakt. We gaven op en begaven ons naar het station.

Een andere liftvakantie: soms lukt het liften niet en moet je smeken.

Woensdag – Namiddag

Onze laatste 80 euro op onze rekening ging naar de treintickets. De trein zou ons niet naar België brengen, dat was te duur, maar Frankfurt viel nog net binnen het budget. We wisten niet goed wat we zouden doen in Frankfurt; we hadden geen geld meer voor een overnachting en onze tent opzetten in zo’n grootstad zou niet geapprecieerd worden. Daar zaten we dan: twee jonge kerels in een trein die twee dagen ervoor nog dachten dat ze de wereld aankonden. In werkelijkheid bleek het een pak moeilijker dan gedacht om als bohémien de wereld rond te reizen.

We begonnen een praatje te slaan met Victoria. Ze was een twintigjarige meid die in Frankfurt studeerde en er een kot deelde met haar vriend. Ze was vegetariër (“Ook geen gummibeertjes voor mij, da’s gemaakt van beenderen”) en ze at enkel eieren van ‘happy chickens’. Voor de zoveelste keer deze reis kreeg iemand medelijden met ons. Victoria nam ons mee op de S-Bahn naar haar kot, stelde ons voor aan haar lief en kookte voor ons gebakken courgetten. Het was heerlijk. De warme douche was zalig, en het huiselijke gevoel en de generositeit deden ons de ellende van de ochtend vergeten.

Donderdag

Victoria was fantastisch. Ze regelde ons een lift naar Prüm (Speckie’s dorp) via mitfahrzentrale (het Duitse nillies-equivalent van BlaBlaCar), leende ons geld om iets te eten en de lift te betalen en toonde ons de stad. Het is onbeschrijflijk hoe fantastisch mensen kunnen zijn tegen vreemden. We namen afscheid, schreven haar banknummer neer en beloofden haar terug te betalen.

De monovolumewagen die ons vervoerde had een fijne bemanning. Twee jonge hippies, een student accountancy en fiscaliteit en twee beroofde Belgen. Het hippiekoppel was op weg naar Barcelona en om centjes te besparen namen ze andere reizigers mee. We vertelden ons verhaal. Ondertussen waren we een beetje trots op wat we hadden meegemaakt de voorbije week. We oogsten verwondering en verbazing en stiekem waren we trots.

“Drugscontrole!” – De agent sprak door het neergelaten raampje op de snelwegparking. We werden apart genomen, de bestuurder moest een plastest ondergaan.

“Belgen? Wat doen jullie in deze Duitse auto?” – “We liften door Europa”

“Hebben jullie drugs bij? Cannabis?” – “Nee meneer, wij zijn twee onschuldige Belgen. We zouden dat nooit durven. Haal de honden er maar bij. We proberen gewoon tegen vanavond thuis te geraken.”

Onze chauffeur kwam terug met een verslagen gezicht, zijn plastest was positief. Hij had de avond ervoor een jointje gerookt. De agenten konkelfoesden onder elkaar. De situatie zag er niet goed uit. Zouden we stranden op een snelwegparking? Een agent kwam naar ons toe.

“In principe zouden we u moeten verbieden te rijden, maar u heeft lifters bij die thuis willen geraken, dus u kan vertrekken. Mogelijk krijgt u later nog wel een bekeuring.” We reden weg, de vrijheid en de ondergaande zon tegemoet. Onze hippie-chauffeur opende zijn handschoenkastje en toonde de enorme zak wiet die erin zat. “Chance dat ze er geen honden hebben bijgehaald!”

Vrijdag

We werden wakker in de tent in Speckie’s tuin. Het was geen probleem om er te overnachten, gastvrijheid is blijkbaar een eigenschap van de inwoners van de Eiffel. We waren naar een gratis dorpsfestival  gegaan met Speckie’s vrienden en het was laat geworden.

We kregen eitjes als ontbijt, en mijn lieve vader die we de dag ervoor hadden gebeld via een telefooncel kwam ons oppikken. We moesten immers op weekend ‘s avonds. In de auto vertelden we onze avonturen, onze tegenslagen en de fijne momenten. We reden langs een bank om het geleende geld van Victoria terug over te schrijven en we vertrokken op weekend.

13 jaar later

Nog steeds denk ik met een warm gevoel terug aan die ene week. Alles liep mis, en alles liep juist. Ik moet af en toe denken aan de tekst van de Fixkes in het liedje Rock & Roll: “We waren jong, en de wereld, die was van ons.”

6 replies

Trackbacks & Pingbacks

  1. […] In vele landen, zoals bijvoorbeeld Slovenië, doet ook de lokale bevolking hevig aan liften. Ikzelf liftte toen ik achttien jaar oud was reeds richting Tsjechië om goedkope sigaretten te kopen… Het is reizen op z’n extreemst, maar zeker de moeite […]

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.